Beroep: journalist

Journalistiek, freelancen, ondernemerschap, media, recht en economie

Waarom dit blog even uit de lucht is

De afgelopen twee jaar heb ik min of meer regelmatig op dit blog bericht over freelancers in de journalistiek, over hun vak, over de media waar ze in publiceren, over hun opdrachtgevers, over hun lezers, over hun belangen. Over waar ze tegenop liepen. En vooral ook: waar ze blij van werden.

Dat bloggen combineerde lekker met mijn voorzitterschap van de Vereniging van Schrijvers en Vertalers, waar ik me ook met die onderwerpen bezighield. Op 8 juni 2013 heb ik die mooie functie echter neergelegd, omdat mijn derde en laatste termijn als bestuurslid erop zat.

Ik blijf de ontwikkelingen volgen, maar voorlopig niet als blogger. Wie weet komt het ooit weer. Tot dan houd ik dit blog in de lucht als archief.

Mocht u niet zonder mij kunnen: u vindt mij o.a. bij De Nieuwe Pers, Managementboek Magazine en OndernemersFacts

Advertenties

Written by Pierre Spaninks

28 juni 2013 at 12:00

Geplaatst in algemeen

Wetsvoorstel Auteurscontractenrecht versterkt positie makers

leave a comment »

Zowel schrijvers als uitgevers reageren in eerste instantie positief op het wetsvoorstel Auteurscontractenrecht. De Vereniging van Schrijvers en Vertalers (VSenV) heeft jarenlang geijverd voor wettelijke maatregelen om de onderhandelingspositie van auteurs te versterken.

Als voorzitter van de Vereniging van Schrijvers en Vertalers (VSenV) ben ik om te beginnen blij dat dit wetsvoorstel er überhaupt is. Onze rechtsvoorganger de Vereniging van Letterkundigen is in 1906 mede opgericht om een wettelijke regeling van het auteursrecht tot stand te brengen. Dat heeft 100 jaar geleden geleid tot de Auteurswet 1912.

De afgelopen decennia is meermalen gebleken dat ondanks die wet de juridische en economische positie van schrijvers en vertalers niet sterk genoeg is om weerstand te bieden tegen de alsmaar toenemende marktmacht van uitgevers en andere exploitanten van hun werk.

“Wurgcontracten”

In sectoren als de dagbladen en de publiekstijdschriften maken uitgevers regelmatig misbruik van de structureel zwakke onderhandelingspositie van de zelfstandige auteur. In onevenwichtige algemene leveringsvoorwaarden (de zogenaamde “wurgcontracten”) dwingen zij auteurs om meer rechten over te dragen dan strikt nodig is om hun werk te exploiteren. Vaak zonder dat daar een billijke vergoeding tegenover staat.

Het gewone overeenkomstenrecht is meermalen ontoereikend gebleken om zulke praktijken een halt toe te roepen. Daarom is er dringend behoefte aan een aanvullende wettelijke regeling die specifiek is toegesneden op het type overeenkomsten dat wordt gesloten in de mediasector.

Vanuit de VSenV hebben we jarenlang voor zo’n aanvulling geijverd, en met dit wetsvoorstel lijkt die er nu eindelijk te komen.

Overdracht van auteursrecht

Voor een gedetailleerde inhoudelijke beoordeling van het wetsvoorstel kijkt de VSenV als vereniging  in eerste instantie naar haar drie afdelingen: de Vereniging van Letterkundigen, het Netwerk Scenarioschrijvers, de FreeLancers Associatie – en binnenkort ook de Vereniging van Educatieve Auteurs. De verschillende sectoren hebben deels dezelfde maar deels ook verschillende belangen, en kunnen zelf het beste beoordelen of dit wetsvoorstel daaraan tegemoet komt.

Recht op billijke vergoeding

Op het eerste gezicht bevat het wetsvoorstel Auteurscontractenrecht een aantal punten die bepaald positief zijn vanuit het oogpunt van de zelfstandige schrijver, vertaler of journalist. Neem de vaststelling dat auteurs altijd recht hebben op een billijke vergoeding voor het gebruik van hun werk, ook als dat is in een vorm van exploitatie die nog niet bestond toen auteur en uitgever hun oorspronkelijke contract sloten.

Dat de uitgevers daar bij monde van het Nederlands UitgeversVerbond van maken dat een billijke vergoeding ook nihil kan zijn, is heel spitsvondig maar kon hen nog wel eens lelijk opbreken. Steeds meer auteurs ontdekken dat er tegenwoordig tal van technische en economische mogelijkheden zijn om direct hun publiek te bereiken, zonder tussenkomst van een intermediair. Voor zelfgenoegzaamheid bij uitgevers – de intermediairs bij uitstek – is dit dan ook een slecht moment.

Ondernemerschap

Vanuit het standpunt van de VSenV heb ik op aantal punten nog wel vraagtekens bij de uitwerking die het wetsvoorstel moet krijgen. Zo voorziet het voorstel er in dat de Minister op verzoek van verenigingen van makers en exploitanten de hoogte kan vaststellen van de billijke vergoeding. De vraag is of dat dan  een soort algemeen verbindend verklaring wordt zoals we die kennen uit de sfeer van de collectieve arbeidsovereenkomsten. Dan wordt het wel heel lastig om daarvan de precieze reikwijdte te bepalen.

De markt van de media valt nu eenmaal uiteen in een groot aantal deelmarkten waar door sterk uiteenlopende partijen producten en diensten worden aangeboden die onderling slecht vergelijkbaar zijn. Wat billijk kan zijn als vergoeding voor het verslag van een voetbalwedstrijd in een huis-aan-huis blad hoeft dat niet ook te zijn voor een essay in de weekendbijlage van de NRC. En nog afgezien daarvan: er moet ook ruimte blijven voor ondernemerschap!

Gangbare tarieven

Een ander punt waar ik vraagtekens bij zet is het voorbehoud dat de Memorie van Toelichting maakt bij afspraken over tarieven en royalties die in de markt tot stand komen tussen verenigingen van auteurs en verenigingen van uitgevers. Volgens het kabinet mogen die afspraken geen strijd opleveren met het mededingingsrecht waar de NMa op toeziet. Ik zie nog niet hoe ik dat moet begrijpen in relatie tot de royalty-percentages in de modelcontracten voor oorspronkelijk literair werk of de vertaaltarieven.

Bedoelt de minister hier de huidige praktijk te legitimeren of zelfs uit te breiden, dat beroepsverenigingen hun leden mogen voorlichten over wat “gangbare tarieven” zijn? Of wil hij die verworvenheid juist terugdraaien? Nu creëert het wetsvoorstel daar onduidelijkheid over waar het duidelijkheid wil scheppen. Dat kan niet de bedoeling zijn.

Binnen de Vereniging van Schrijvers en Vertalers zijn nu eerst de afdelingen aan zet. Daar zal een gezamenlijk standpunt uitkomen, waar nodig met ruimte voor een branchespecifieke invulling. Vergelijkbare trajecten worden doorlopen in de andere beroepsverenigingen die deel uitmaken van het Platform Makers. Samen kunnen die dan namens alle makers die zelf het auteursrecht hebben op hun werk een krachtige stem laten horen in Den Haag.

UPDATE: Lees hier het standpunt van de VSenV d.d. 26-9-2012

Written by Pierre Spaninks

22 juni 2012 at 13:37

Waarom een minimumtarief voor ZZP’ers een slecht idee is

leave a comment »

De Partij van de Arbeid wil een minimumtarief voor ZZP’ers. Om te voorkomen dat die in stille armoede vervallen, zeggen ze. Gaat dat werken? Nee: de Samsom-norm zal het zelfstandige professionals alleen maar moeilijker maken om te ondernemen.

Het eerste argument tegen de Samsom-norm is principieel. Ondernemerschap is: vrijheid, eigen keuzes maken. Ondernemerschap verdraagt zich niet met regulering van tarieven. Niet naar boven, en ook niet naar beneden.

Het tweede argument tegen de Samsom-norm is economisch. Draaien aan de knoppen van productiekosten, inkoopprijzen en verkoopprijzen is de essentie van ondernemen. We gaan ook niet bedrijven verbieden prijsacties te voeren en bij gelegenheid producten tegen of zelfs onder de inkoopprijs te verkopen. Hoe laag je het minimumtarief ook stelt, een ondernemer kan altijd goede reden hebben daar in een gegeven situatie van af te wijken. Minimumtarieven belemmeren ondernemerschap en economische groei.

Het derde argument tegen de Samsom-norm is sociaal. Minimumtarieven hebben de funeste neiging zich tot maximumtarieven te ontwikkelen. Denk aan de kilometerkostenvergoeding: “Mag je een reiskostenvergoeding tot maximaal 19 cent van de belasting aftrekken? Dan hoeven we je dus ook niet meer te geven!”

Het vierde argument tegen de Samsom-norm is politiek. De PvdA heeft nog nooit iets voor ZZP’ers gedaan. Er zijn tal van onderwerpen waarop de partij het initiatief had kunnen nemen om belemmeringen voor ondernemerschap weg te nemen, toen ze nog wat te vertellen had. Waarom dan nu ineens dit eruit gepikt nu ze in de verdrukking zitten?

Van ondernemerschap heeft de PvdA geen kaas gegeten. Dat zou geen probleem zijn als ze zich er ook niet mee zouden bemoeien. Als ze dat nu wel willen doen – zelfs als het alleen maar een verkiezingsstuntje is – dan zouden ze daarover op zijn minst even kunnen overleggen met organisaties van ZZP’ers.

Ondernemerschap in de creatieve, innovatieve beroepen is de PvdA al helemaal vreemd. Dat blijkt wel uit de gedachte om “stuksprijzen” te verbieden en alleen nog maar uurtarieven toe te staan. Creativiteit, kunstzinnigheid, intellect en innovatie laten zich echter niet vangen in euro’s per uur. Als een persfotograaf toevallig iets ziet gebeuren en daar in een oogwenk een unieke foto van maakt, mag hij daar dan niet meer voor vragen dan een zestigste deel van zijn uurtarief?

De Samsom-norm is een typisch geval van “Voor u, over u, zonder u.” Echt PvdA.

Written by Pierre Spaninks

8 juni 2012 at 11:11

Geplaatst in economie, ondernemerschap, tarieven

Tagged with ,

Wat moet het Leger des Heils met Femke Halsema?

leave a comment »

Relatiemedia lijken wel verslaafd aan bekende Nederlanders. Soms werkt dat, maar vaak ook niet. Met een beetje moeite valt er een beter resultaat te behalen. Als journalist kun je daar zelf veel aan doen, schreef ik op CustomerMedia.nl

Zelf doe ik er ook aan mee. Sterker nog: ik vind het leuk en ik verdien er goed geld mee. Waarmee? Met het interviewen van bekende Nederlanders en beroemde buitenlanders voor relatiemedia. Politici, artiesten, wetenschappers, captains of industry – ik weet ze te vinden, ik kom bij ze binnen, ik krijg ze aan de praat. Dat levert mooie verhalen op waar ik me als vakman niet voor hoef te schamen. En toch knaagt er iets.

Dement

Laatst vroeg een klant me aan welke interviews ik nou met het meeste plezier terugdacht. Ik vertelde haar over mijn ontmoetingen met de meesterpianisten Lang Lang en Nikolai Lugansky. Voor wie ik dat had gedaan? Euh…. voor Volvo, die vrolijke Chinees. En voor Audi, die romantische Rus.  Of was het andersom? Ik werd zeker dement.

En afgelopen week nog heb ik me suf gezocht naar dat interessante interview met Midden-Oosten specialist Petra Stienen dat ik had gelezen in het blad van verzekeraar Delta Lloyd. Ik kon het nergens meer vinden – totdat bij het opruimen van het oud papier mijn oog viel op het relatiemagazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Natuurlijk, hoe kon ik me zo vergissen?

Verslaving

“Onthutsend” is een te groot woord, maar verontrustend vond ik het zeker. Ik ben niet het type dat gauw aan zichzelf twijfelt, maar toen ik mezelf er op betrapte dat ik rondom deze casuïstiek een heel verhaal aan het spinnen was over de funeste effecten van de verslaving van relatiemedia aan grote namen, leek het me toch verstandig om even bij een paar collega’s te checken of zij zich er ook iets bij konden voorstellen.

Het was meer mensen opgevallen: er kan geen relatiemagazine verschijnen zonder dat er hele of halve beroemdheden worden geïnterviewd. Leuk om te lezen, als je hen tenminste niet al te vaak hebt gehoord over hun stokpaardjes. Maar als je erover nadenkt waarom de een in dit blad staat en de ander in dat?

Kwaliteit

Alle reden, zo niet voor een wetenschappelijk verantwoord onderzoek dan toch voor wat voortgezette introspectie over de vraag wat al die customer media toch hebben met grote namen. Welk mechanisme zit daar achter? Wat is de winst? Zijn er ook risico’s aan verbonden? En valt daar nog wat van te leren?

Als ik probeer om een antwoord te bedenken, kom ik eerst op het begrip kwaliteit.  Mijn persoonlijke opvatting van kwaliteit bij customer media – er zijn er vast meer en ik ben benieuwd naar die van u – mijn persoonlijke opvatting is dat die kwaliteit zit in de meerwaarde die de content oplevert voor de doelgroep en voor het merk. Kort door de bocht: de lezer moet er wat aan hebben en dat moet een beetje afstralen op de opdrachtgever.

Casting

Ik heb de indruk dat die kwaliteit sterk wisselt, als het gaat om verhalen die zijn opgehangen aan bekende Nederlanders  of aan beroemde buitenlanders. En dat die variatie in kwaliteit sterk samenhangt met de casting: slaat de keuze ergens op om de een wel te interviewen en de ander niet, gezien de identiteit van het merk en de boodschap die moet worden overgebracht?

Een goed gecaste BN’er kan veel bijdragen aan het verhaal dat een merk over zichzelf wil vertellen. Het belangrijkste mechanisme daarbij is waarschijnlijk dat een bekend gezicht herkenning oplevert bij de doelgroep, een gevoel van vertrouwdheid, misschien zelfs wel van autoriteit – en dat verleent nu eenmaal geloofwaardigheid aan de boodschap. Daarbij komt dat voor de lezer een bekend gezicht vaak iets sympathieks heeft, en op dat positieve gevoel kan het merk dan meeliften.

Afbreuk

Andersom zal een slecht gecaste BN’er juist afbreuk doen aan de boodschap. Als het imago van de geïnterviewde in de perceptie van de doelgroep niet in lijn ligt met het beeld van het merk, dan gebeuren er ongelukken. In het beste geval heeft de lezer alleen aandacht voor de persoon en voor het verhaal van de geïnterviewde, zonder dat hij of zij een link legt met het merk. Het Stienen-effect, zal ik maar zeggen.

In het slechtste geval wordt de boodschap van het merk ongeloofwaardig, omdat de geïnterviewde een imago heeft dat in tegenspraak is met wat het merk wil uitstralen. Of – en dat is misschien nog wel erger – het resultaat laat de lezer koud omdat hij het verhaal van de BN’er al uitentreuren kent en het bijgevolg als irrelevant ervaart. Op dat moment maakt het merk dat aan die BN’er een podium biedt zichzelf dus ook irrelevant.

Ellen ten Damme bij Heineken

Tot zover is het allemaal speculatie, afgeleid uit mijn eigen ervaring en wat indrukken van collega’s. Hoe is het in werkelijkheid gesteld met de casting van BN’ers in de relatiemedia?  Als ik Customer Media in de praktijk erbij pak, het overzicht dat Sak van den Boom heeft gemaakt met 122 cases uit Nederland en België,  zie ik daar om te beginnen heel wat geslaagde voorbeelden.

Een rockchick als Ellen ten Damme in Bierblad (Heineken): dat geloof ik bij voorbaat. Presentatrice Anita Witzier op de cover bij Zie van Ziggo: verbaast me niks (alleen: wie is in vredesnaam die Filemon Wesselink waar zij het over heeft?). Palingpopper en hartpatiënt Jan Keizer in Vida van De Hart&Vaatgroep: een match made in heaven.

Femke Halsema bij het Leger des Heils

Maar ondertussen struikel ik over de voorbeelden van slecht gecaste types. Wat heeft een filmster als Carice van Houten in vredesnaam te zoeken in de Tring van Batavus, fietsend langs de Amsterdamse grachten? In het openingsbeeld heeft de redactie haar mededeling gemonteerd dat zij de taxi heeft afgezworen. Gegeven de ellende waarmee die vorm van vervoer in de hoofdstad gepaard pleegt te gaan kan ik me dat voorstellen – maar als bruggetje vind ik het toch net even te smal.

Echt ongeloofwaardig wordt het als de Kans van het Leger des Heils voor het obligate interview een beroep doet op … Femke Halsema. Heeft dit prominente lid van het Humanistisch Verbond zich bekeerd tot het Evangelie van Jezus Christus? Heeft William Booth postuum het licht gezien en moeten zijn donateurs nu ineens mee in het vrijzinnig-liberale gedachtegoed? Tussen het merk en de BN’er is hier zo weinig common ground dat de redactie zelfs in de aankeiler op de cover al zijn toevlucht moet nemen tot geschmier: “Als een aapje kroop de prostituee op mijn schoot”. Say no more.

Sywert van Lienden bij Robeco

Echt verrassende keuzes kom ik niet tegen, bij het doorvlooien van de cases uit Customer Media in de praktijk. Nou vooruit, eentje dan: Sywert van Lienden, Nederlands jongste politiek commentator, al twee jaar geleden ontdekt en geportretteerd door Safe van Robeco. De ideale schoonzoon van de gemiddelde belegger, hardop dromend van een grachtenpandje – prima gedaan.

Toegegeven: qua onderzoek is deze exercitie drie keer niks. Maar mijn idee dat relatiemedia verslaafd zijn aan BN’ers spreekt het niet tegen. Ze putten allemaal uit het zelfde, beperkte lijstje van oude bekenden. Als je afgaat op de bladen is heel Nederland één grote Omroep Max. Slechts heel af en toe doet er eens iemand zijn best om een misschien wat minder bekende maar tenminste originele interview-kandidaat te vinden die iets te vertellen heeft dat de lezer wèl raakt.

Eindeloos recyclen

Kennelijk denken opdrachtgevers van customer media dat ze die oude bekenden nodig hebben om hun doelgroep aan te spreken, en dat hun merk er wel bij zal varen als het met hen wordt geassocieerd. Of dat in de praktijk ook echt zo ook werkt? Ik waag het betwijfelen.

Met het eindeloos recyclen van dezelfde inmiddels overbekende Nederlanders zouden relatiemedia wel eens het tegenovergestelde kunnen bereiken van wat zij beogen. Al die pratende hoofden vertellen sinds jaar en dag overal het zelfde verhaal. Van hun perspectief uit gezien is dat alleen maar verstandig.

Een Bernard Wientjes zou geen knip voor zijn neus waard zijn als voorzitter van VNO-NCW wanneer hij in het blad van de Kamer van Koophandel een ander verhaal over ondernemerschap ging vertellen dan in dat van de SER. Voor zijn eigen parochie is die ijzeren consistentie goud waard. Voor die van het merk dat hem laat interviewen in zijn relatiemagazine is het de dood in de pot. Toch blijven opdrachtgevers met zulke namen komen als zij hun bureaus briefen.  

Dealers

De bureaus die customer media maken vormen hier een belangrijke schakel. Het mag zo zijn dat bij relatiemedia meer dan bij andere media geldt dat wie betaalt ook bepaalt, die bureaus hebben hier ook een eigen verantwoordelijkheid in. Als de klanten verslaafd zijn aan BN’ers, zijn de bureaus hun dealers. Dat werkt via twee mechanismes: het ene slinks, het andere lui.

Het slinkse mechanisme is dat bureaus BN’ers pushen omdat zij graag indruk willen maken op hun klanten. De boodschap is: “Kijk eens wat een boel beroemde mensen wij kennen? Als u met ons in zee gaat, kunt u zelf ook met hen in contact komen en zich met hen associëren.” Maar als puntje bij paaltje komt blijkt dat die grote namen – tenzij in hun nadagen en volstrekt desperaat – heus niet zo makkelijk een uurtje voor je vrijmaken. En al helemaal niet als je komt namens het relatiemagazine van de Hapsnurker Suikerwerken Fabriek.

Stimulus en respons

Het luie mechanisme is dat je als redactie gewoon niet hoeft na te denken om met een BN’er op de proppen te komen. Het gaat vanzelf, het is een kwestie van stimulus en respons. Duurzaamheid? Herman Wijffels! Economische politiek? Hans Wijers! Toezicht? Saskia Stuiveling! Verantwoord bankieren? Piet Moerland!

Absoluut, al die mensen zijn keien in hun vak. Als ze willen meewerken, zijn ze altijd goed voor een gloedvol betoog en een paar mooie quotes. Makkelijk scoren, maar je doet er wel je opdrachtgever mee tekort. Want in plaats van dat je de uniciteit van het merk accentueert, trek je er een grijze sluier overheen.

Ondertussen zijn er meer dan genoeg interessante alternatieven te vinden, voor wie even verder kijkt dan zijn neus lang is. Duurzaamheid? Anna Chojnacka, oprichtster van de 1%Club! Economische politiek? Pim Bouman van het Platform Dutch Creative Industries! Toezicht? Mijntje Lückerath, hoogleraar op Nyenrode en commissaris bij Achmea! Verantwoord bankieren? Nicolette Loonen, initiatiefneemster van Women in Financial Services!

Afkicken

Is er wat te doen, aan die verslaving aan BN’ers? Kunnen we ervan afkicken met zijn allen? Yes, we can. Opdrachtgevers zouden zich kunnen afvragen waar hun behoefte om Grote Namen voor de kar te binden eigenlijk vandaan komt. Belichaamt die beroemdheid op zo’n unieke manier onze merkwaarden dat we echt niet om hem heen kunnen? Of hoeft hij alleen maar even langs te komen op ons feestje zodat we indruk kunnen maken op onze relaties?

Bureaus en redacties zouden hun opdrachtgevers kunnen helpen om zich die gewetensvraag te stellen en hem van een eerlijk antwoord te voorzien. Onderdeel van ons vak is immers dat we de klant een spiegel voorhouden, vanuit onze gedegen kennis over wat werkt en wat niet werkt. En niet om de weg van de minste weerstand te volgen.

Contra-indicatie

Een bureau dat net even wat verder door-denkt en zich echt verdiept in een onderwerp, zal met originelere oplossingen komen die meer waarde hebben voor de klant en voor diens doelgroep. Dat betekent niet dat je als bureau altijd zelf alle inhoudelijke deskundigheid in huis hoeft te hebben. Onbegonnen werk. Beter kun je een gespecialiseerde freelancer zoeken, iemand die niet alleen kan interviewen en schrijven maar die ook de interessante mensen kent en daar snel contact mee kan leggen.

Als het toch per se een hotemetoot moet wezen – uiteindelijk is dat de keus van de klant – dan is het de verantwoordelijkheid van het bureau om heel scherp zijn op de casting. Cruciaal is dat de celebrity een evidente relatie heeft, zowel met het merk als met de boodschap die moet worden gecommuniceerd. Als iemand het afgelopen jaar ook in het blad heeft gestaan van een concurrent van de opdrachtgever, is dat een contra-indicatie van je welste.

Raakvlakken benutten

En de journalist of tekstschrijver die uiteindelijk op pad gaat, heeft die nog een eigen verantwoordelijkheid in het geheel? Zeker weten. Als het om “bekende” personen gaat (hoeveel weten we echt van hen?) is een degelijke voorbereiding sowieso de helft van het werk. Bij customer media geldt dat eens te meer, omdat je behalve met degene die je gaat interviewen ook te maken hebt met het merk waar je het voor doet.

De content die ik lever heeft meer waarde naarmate ik de raakvlakken tussen die twee beter benut. Dan moet ik wel weten waar die zitten. Tijdens het interview zelf hoef ik dan “alleen nog maar” die kennis te benutten en te blijven doorvragen, totdat ik de laag aanboor onder het praatje voor de vaak. Want dat is waar de parels liggen.

PS: Het was even zoeken maar Lang Lang deed ik dus voor Audi Magazine en Nikolai Lugansky voor Volvo Liv. Allebei in het voorjaar van 2007.

Een businessplan schrijven, of toch maar een sollicitatiebrief?

leave a comment »

Welk advies zou ik iemand geven die er over denkt om te gaan freelancen? En wat komt daarbij kijken aan papierwerk? Vragen die ik kreeg naar aanleiding van mijn blog Goeie freelancers zijn er niet gauw te veel. De tweede is makkelijker te beantwoorden dan de eerste.

Papierwerk komt er amper bij kijken, als je wilt gaan freelancen. De journalistiek is een vrij beroep, dus een diploma of een pasje van de vakbond heb je niet nodig. Wat je wel moet doen, is je bij de Kamer van Koophandel inschrijven als zelfstandige (helaas wettelijk verplicht), je bij de Belastingdienst laten registreren als ondernemer en – als je daar dan toch bent – meteen een VAR-verklaring aanvragen.

Let er wel op dat je de juiste VAR krijgt. De KvK en de fiscus mogen startende freelancers graag een VAR-ROW aanraden “om het even aan te zien”, maar dan loop je dus de fiscale faciliteiten mis die het zo lucratief maken om echt te gaan ondernemen in plaats van te blijven beunen. Een VAR-WUO moet je hebben (Winst Uit Onderneming).

Karakter, kennis en kunde

Of je er goed aan doet om als freelancer aan de slag te gaan in de journalistiek, hangt van veel factoren af. Maar cruciaal is volgens mij hoe je als mens in elkaar zit en wat je meebrengt aan karakter, kennis en kunde. Ik zou zeggen: begin met de vraag of je echt opgewonden raakt alleen al bij de gedachte eigen baas te zijn. Kun je niet wachten om zelf de verantwoordelijkheid te nemen in plaats van je achter een chef te verschuilen of achter collega’s? Heb je pas echt het gevoel dat je leeft wanneer  je direct wordt beloond als je het goed doet en even direct afgestraft als je aan het klooien bent geweest?

Ondernemersvragen

Heb je lang genoeg in die spiegel gekeken en weet je heel zeker dat je niet liever een sollicitatiebrief wilt gaan schrijven dan een business plan, dan komen wat ik noem de ondernemersvragen. Waar wil je over schrijven voor wie? Heb je daar echt genoeg verstand van en ideeën over? Heb  je een netwerk in die wereld? Wie zitten er nog meer op dat specialisme? Hoe pakken zij het aan? Waarmee ga jij je van hen onderscheiden? Hoe ga je potentiële  opdrachtgevers ervan overtuigen dat ze jou moeten hebben en niet iemand anders?

Financieel

Tot slot moet je nog wat praktische dingen bedenken. Vooral op financieel gebied. Hoeveel inkomen heb je nodig om je werk goed te kunnen doen en prettig te leven? Hoeveel stukken kun je schrijven in een maand? Hoeveel kun je daarmee verdienen? Ga je daarvan rondkomen? En als dat onverhoopt niet lukt of niet meteen: wat is je beste alternatief? Houd er bij het vaststellen van je tarief (per woord of per uur) rekening mee dat je niet alleen inkomstenbelasting moet betalen maar dat je ook moet reserveren voor verzekeringen, vakanties en andere periodes dat je minder of geen inkomen hebt.

Bij de algemene ondernemersvragen kun je je laten helpen door belangenbehartigers als het Platform Zelfstandige Ondernemers en ZZP Nederland. Met vragen die specifiek op ondernemerschap in de journalistiek betrekking hebben kun je terecht bij de FreeLancers Associatie, die zich als enige in Nederland exclusief inzet voor de belangen van zelfstandige journalisten.

Een bestaan als freelancer begint met huiswerk maken. Het is niet anders. Maar als je uit het juiste hout bent gesneden heb je daar geen moeite mee.

Written by Pierre Spaninks

5 april 2012 at 08:51

Thuis in eigen hoofd en hart

leave a comment »

Halil Gür is een van die auteurs die immigrant en emigré tegelijk zijn, nergens helemaal thuis behalve in eigen hoofd en hart. Vanuit hun positie tussen twee culturen verrijken zij de literatuur van het land waar zij zich hebben gevestigd. Op 4 maart mocht ik het eerste exemplaar in ontvangst nemen van Halil’s nieuwe bundel De Babykamer. Bij zo’n gelegenheid hoort een dankwoord. De tekst daarvan volgt hier.

Een van de dingen waarvan ik zeker weet dat Halil Gür en ik ze gemeen hebben, is een liefde voor de taal, voor de literatuur en voor het schrijverschap. Wij hebben elkaar ontmoet bij de Vereniging van Schrijvers en Vertalers (VSenV). Hij is daar sinds jaar en dag een betrokken en actief lid, ik ben er momenteel voorzitter. Samen met ruim 1300 collega’s – schrijvers, vertalers, scenarioschrijvers, freelance journalisten – komen wij op voor de materiële belangen van iedereen die zich op professionele basis bezighoudt met het schrijven en die zelf het auteursrecht heeft op zijn of haar teksten.

De economische waarde van het literaire werk

Het auteursrecht zoals wij dat kennen – het recht van de schrijver om erkend te worden als maker van zijn of haar werk en daaraan gekoppeld het recht om, wanneer er op enigerlei wijze van dat werk gebruik wordt gemaakt, daar een billijke vergoeding voor te ontvangen – dat recht staat tegenwoordig onder grote druk. Had de cultuurfilosoof Walter Benjamin het in de jaren dertig van de vorige eeuw al over de precaire positie van het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid, nu maken wij het tijdperk mee van de digitale reproduceerbaarheid.

Nog nooit is het zo eenvoudig geweest om van een literaire tekst goedkoop of zelfs helemaal gratis een perfecte kopie te bemachtigen. Hetzij legaal, hetzij illegaal. Een muisklik volstaat. Dat zet de economische waarde van het literaire werk onder druk, en ondermijnt de bestaanszekerheid van de auteur.

In die constellatie een weg te vinden, dat auteursrecht overeind te houden, die positie van de auteur te ondersteunen – dat is wat de VSenV beweegt, dat is wat Halil en mij bindt, en dat is zo niet de reden dan toch op zijn minst de aanleiding geweest dat hij uitgerekend mij het eerste exemplaar van zijn nieuwe boek heeft willen overhandigen.

Een spel met plaats, tijd en ruimte

Ik ben zeker niet de eerste die constateert dat Halil Gür in zijn verhalen en gedichten een spel speelt met concepten als plaats, tijd en ruimte. Zo ook in De Babykamer. Als een magiër laat hij de grenzen vervagen tussen verleden, heden en toekomst. Tussen Oost en West. Tussen Diesseits en Jenseits.

Hij neemt ons mee op een fascinerende ontdekkingsreis door het onderbewuste – het onderbewuste van zijn personages, dat van hem zelf, en uiteindelijk ook dat van ons zelf. Zo creëert Halil een wereld die tegelijk volstrekt aan hem eigen is, en ook eigen – op een dieper, onderliggend niveau – aan ons allemaal.

De taal waarin Halil dat doet is op het eerste gezicht gangbare literaire schrijftaal. Die stijl, dat register is hij volstrekt meester – zowel in zijn proza als in zijn poëzie. Daardoor duurt het even voordat je als lezer in de gaten krijgt dat hij die taal waar nodig ook subtiel naar zijn hand zet. Halil benut de vrijheid die hem als schrijver toekomt om in zijn woorden en zinnen de ruimte te scheppen die nodig is om zijn niet geringe thematiek te omvatten en om zijn verhaal op ons over te brengen.

Putten uit twee bronnen

Deze observaties over de thema’s en de taal van Halil Gür geven aanleiding tot de constatering dat hij in de Nederlandse literatuur een marginale positie inneemt. Met marginaal bedoel ik hier letterlijk: in de marge, aan de zijkant. Daar, waar op een akker de mooiste planten bloeien: aan de rand. Dicht genoeg bij het middelpunt om erbij te horen (voor zover dat al een nastrevenswaardig ideaal is) en tegelijk ver genoeg er vanaf om zichzelf te blijven en (wat meer is) om als mens en als schrijver steeds meer zichzelf te worden. Betrokken, maar wel met de distantie die nodig is om scherp te kunnen waarnemen.

Marginaliteit in deze zin is een bekend en in de literatuurwetenschap meermalen beschreven fenomeen. Het wordt aangewezen in het werk van auteurs die zijn opgegroeid in de taal en cultuur van het ene land en die om welke reden dan ook in een ander land wonen en werken, waarbij zij zich ook van dat tweede land de taal en de cultuur eigen hebben gemaakt.

Zo horen zij bij twee werelden tegelijk en kunnen putten zij uit twee bronnen – een geestelijke rijkdom waartegenover vaak ook weer staat dat zij, als het er op aankomt, bij geen van beide echt horen. Zij zijn immigrant en emigré tegelijk, nergens helemaal thuis behalve in hun eigen binnenwereld, in hun eigen hoofd en hart. Vanuit die even bevoorrechte als lastige positie, verrijken zij met hun eigen unieke kwaliteiten de literatuur van het land waar zij zich hebben gevestigd.

Lees-biografie

Ik geef u van zulke in die zin marginale auteurs drie totaal verschillende  voorbeelden, in de chronologische volgorde van mijn eigen lees-biografie. Om te beginnen denk ik aan de te jong gestorven Edgar Cairo, die in Paramaribo werd geboren, naar Amsterdam kwam om te studeren, en daar met boeken als Djari/Erven niet alleen een volstrekt eigen verbeeldingswereld schiep maar ook een eigen taal, die is opgebouwd uit elementen zowel van het Surinaams-Nederlands als van het Sranan Tongo.

Vervolgens denk ik aan Lulu Wang, die in China werd geboren en die in de jaren tachtig naar Nederland kwam om hier Engels te doceren. Minstens zo boeiend als de ontwikkeling in de thematiek van haar werk is de evolutie van haar taal: van een aanvankelijk steeds lyrischer en bloemrijker wordend Nederlands naar het geserreerde geen-woord-teveel van haar binnenkort te verschijnen novelle Nederland wo ai ni / Nederland ik hou van je.

Tot slot denk ik aan Sana Valiulina, die in Estland werd geboren, in Moskou studeerde, en in 2000 in het Nederlands debuteerde met Het Kruis. In 2006 werd dat gevolgd door Didar en Faroek: een episch meesterwerk met een thematiek die van alle plaatsen en tijden is, geschreven in een Nederlands waar alle klei van af is geborsteld, veroverd als zij die taal heeft op de dominee en op de koopman.

Eregalerijtje

Edgar Cairo, Lulu Wang, Sana Valiulina – drie persoonlijkheden, drie auteurs die wat mij betreft juist doordat zij een beetje aan de kant staan tot de kern behoren van de moderne Nederlandse literatuur. Vandaag voeg ik aan dat hoogstpersoonlijke eregalerijtje de naam van Halil Gür toe.

Written by Pierre Spaninks

4 maart 2012 at 16:45

Digitaal leenrecht: een gemiste kans

leave a comment »

In het Boekblad van 1 maart 2012 mocht ik als voorzitter van de Vereniging van Schrijvers en Vertalers commentaar geven op het mislukken van de onderhandelingen tussen de Groep Algemene Uitgevers van het Nederlands Uitgevers Verbond en de Vereniging van Openbare Bibliotheken. Zoals dat gaat, komt er dan maar een deel van je verhaal in de krant. Voor wie geïnteresseerd is volgt hier de uitgebreide versie.

Voorop staat het uitgangspunt dat lezers willen lezen en dat schrijvers gelezen willen worden. Uitgevers, boekhandels, bibliotheken: het zijn allemaal intermediairs die geen andere functie hebben dan dat mogelijk te maken. Door boeken te publiceren, door ze verkopen, door ze uit te lenen – of het nu om gedrukte folioboeken gaat of om digitale e-boeken.

Lezers willen tegenwoordig steeds vaker een boek lezen in verschillende vormen op verschillende platforms. Uitgevers, boekhandel, bibliotheken moeten daar op inspelen. Doen ze dat niet, dan zijn ze binnen de kortste keren out of business.

Billijke honorering

Gelukkig overwinnen steeds meer schrijvers hun aanvankelijke achterdocht tegen het e-boek, en gaan ze de voordelen inzien van dit nieuwe medium.  De meeste schrijvers vinden inmiddels e-boeken een prima idee, mits zij ook voor die exploitatie van hun werk een billijke honorering ontvangen. Met de uitgevers is de uitgave van e-boeken tegenwoordig netjes geregeld in het modelcontract dat de Vereniging van Letterkundigen en de GAU samen hebben opgesteld.

De uitleen van boeken door (openbare) bibliotheken is een  verhaal apart. Voor folioboeken was dat al keurig geregeld in de Auteurswet. Zo niet voor e-boeken. Die komen in de hele Auteurswet niet voor, en zoals de systematiek van de wet voorschrijft geldt het leenrecht daarvoor dan niet. Juridisch is er daardoor zelfs sprake van een verbod op het uitlenen van e-boeken. Een weinig bevredigende situatie, voor alle betrokkenen. Alle begrip voor de openbare bibliotheken die dat wel willen gaan doen. Zeker nu de Vereniging van Openbare Bibliotheken daar nadrukkelijk bij zegt dat de rechthebbenden (auteurs en uitgevers) daar dan een billijke vergoeding voor moeten ontvangen.

Auteurs dragen in de praktijk hun (collectieve) rechten op digitale exploitatie van hun werk over aan de stichting LIRA. De individuele exploitatierechten (waaronder het recht om van een werk een e-boek te maken) dragen zij sinds dit voorjaar het nieuwe modelcontract van kracht is in de regel over aan hun uitgever. Bij uitgeefovereenkomsten die voor 2011 zijn gesloten, kan dat van geval tot geval verschillen. Slechts een enkeling geeft al zelf zijn of haar e-boeken uit en heeft daarop zelf de rechten. Maar dat is een groeiende praktijk, waar ik zeker verwachtingen van heb.

Hete brij

Het afgelopen jaar hebben de uitgevers verenigd in de GAU en de bibliotheken verenigd in de VOB langdurig met elkaar gesproken om tot een generieke regeling te komen voor het uitlenen van e-boeken. Het was mooi geweest voor lezers en voor schrijvers als dat was gelukt, maar het mocht niet zo zijn. De GAU en  de VOB hebben in feite maandenlang om elkaar heen lopen draaien als een kat om de hete brij, en zijn in feite niet verder gekomen dan een agreement to disagree. Daardoor is er kostbare tijd verloren gegaan voor alle boekenliefhebbers. Ondertussen heeft de wereld allesbehalve stilgestaan. Vandaar dat ik zeg: een gemiste kans.

De vraag is wel of zulk bilateraal overleg tussen uitgevers en bibliotheken überhaupt iets had kunnen opleveren. Want (a) wordt er van allerlei kanten gepleit voor een wettelijke regeling waardoor e-boeken kunnen worden uitgeleend, met een collectief leenrecht naar analogie van dat voor folioboeken. Minister Zijlstra lijkt daar wel gevoelig voor. En (b) zat er een partij te weinig aan de ronde tafel, namelijk die van de schrijvers en vertalers.

“Voor u, over u, zonder u”

Welbeschouwd is het digitaal leenrecht geen zaak die uitgevers en bibliotheken even onderling kunnen regelen, en als ze verstandig zijn moeten ze dat ook helemaal niet willen. Ze zullen daar ook schrijvers en hun vertegenwoordigers bij moeten betrekken: de Stichting LIRA voor het regelen van de digitale rechten, de Vereniging van Schrijvers en Vertalers (met voorop de afdelingen Vereniging van Letterkundigen en de FreeLancers Associatie) voor het broodnodige draagvlak onder de auteurs. Wat nu is gebeurd, is alleen al uit een oogpunt van haalbaarheid niet snugger. De bestaande praktijk van “Voor u, over u, zonder u” voedt alleen maar het wantrouwen onder schrijvers en vertalers jegens deze nieuwe exploitatievorm – en zonder hen komt er geen e-boek tot stand.

Creatief meedenken

Een wettelijke, collectieve regeling en een uitbreiding van het leenrecht kan, wat betreft de schrijvers, maar een stelsel van afspraken via uitgevers is ook denkbaar. Wij hebben op dit moment nog onvoldoende zicht op de modaliteiten en de condities om a priori een voorkeur uit te spreken voor het een of het ander. Veel hangt af van de concrete uitwerking en de effecten, zowel voor schrijvers en vertalers als voor hun lezers. Alle reden om beide modellen verder te verkennen, en daarin denken schrijvers en vertalers graag creatief mee. Bijvoorbeeld op 9 juni aanstaande, tijdens een seminar dat wordt gehouden in aansluiting op de algemene ledenvergadering van de VSenV en de jaarlijkse vergadering van aangeslotenen van LIRA.

Written by Pierre Spaninks

1 maart 2012 at 21:39